11.1 De Keten

Is de consument bepalend? De consument vraagt terecht veilig voedsel. Daarbij moet voedsel ook traceerbaar zijn. Waar komt het vandaan. De melkveehouder doet zijn best om goede melk te leveren. Maar wat kan hij eraan doen als hij verkeerd voer geleverd krijgt zodat er dioxine in de melk zit? Of de melkmachinedealer de reinigingsautomaat verkeerd heeft afgesteld? Of de zuivelfabriek of de groothandel laat steken vallen? Allemaal zaken die negatief zijn voor de melkveehouder en de sector.

Om dit probleem te tekkelen is in een kwaliteitsborgingsysteem vastgelegd wat ieders verantwoordelijkheid is. Als iedereen zich aan de gemaakte afspraken houdt, kan er maar weinig mis gaan en als het mis gaat is de veroorzaker te vinden en daarop aan te spreken.

De melkveehouder is onder andere afhankelijk van de melkmachinedealer, de dierenarts en de voerfabriek. Deze zijn KOM-, GVP en GMP-gecertificeerd. Het kwaliteitsborgingssysteem voor de melkveehouderij heette eerst KKM (Keten Kwaliteit Melk) en was voor alle melkveehouders hetzelfde.Nu heet het OCM, zijn er per fabriek (kleine0 verschillen en wordt het door Qlip uitgevoerd.

Organisatie.
Qlip heeft vanaf 2007 de leiding over de privaatrechtelijke activiteiten (= voor alle veehouders van 1 fabriek). Hierin zijn het COKZ, MCS en OCM ondergebracht. De publiekrechtelijke activiteiten (= voor alle Ned. melkveehouders) worden gecontinueerd door het COKZ.

Niet alle zuivelondernemingen hebben de zelfde borgingseisen. Dit is met name afhankelijk van de producten die zij produceren. Zo stellen kaasfabrieken scherpere eisen voor boterzuur. De zuivelfabrieken besteden de uitvoering van de certificering uit aan Qlip. De melk gaat via de zuivelindustrie, de groothandel en de detailhandel naar de consument. Ook deze schakels in de kolom dienen zich aan regels te houden om een goed en veilig product bij de consument op tafel te krijgen. (Zuivel)producten worden steeds gevoeliger voor trends en imago. Duurzaamheid is tegenwoordig een sleutelwoord.

Om hun marktaandeel en hun marge veilig te stellen en/of te vergroten, besteden de zuivelfabrieken hier tegenwoordig veel aandacht aan. Zo doet weidegang het tegenwoordig erg goed bij de consument vanuit het oogpunt van dierwelzijn, gezondheidsaspecten van de melk en landschapsbeheer. De consument koopt niet alleen melk, maar ook “beleving”. Zuivelondernemingen willen CO2- neutraal werken en stimuleren daarom b.v. de bouw van grote vergisters bij groepen veehouders. Sommige zuivelfabrieken kunnen dit uitbuiten denk aan weidemelk of kaas gemaakt van melk van koeien die weidegang krijgen.

11.2 Borgingssystemen

De kwaliteitsborgingsystemen zijn gebaseerd op Europese en internationale wetgeving, met de nadruk op de voedselveiligheid. Invoering van deze systemen heeft ertoe geleid dat de melkveehouderijsector in Nederland zich heeft ontwikkeld van kwaliteitscontrole in de melkproductie tot een geïntegreerd ketenmanagementsysteem.

Mag iedere veehouder zomaar melk produceren en leveren aan de zuivelfabrieken?
Als de melkveehouder aan bepaalde voorwaarden voldoet om de melk te produceren, dan kan men spreken over  "license to produce"  ( je mag dus onder die voorwaarden melk leveren aan de zuivelfabrieken) Uiteraard worden de zelfzuivelaars ook gecontroleerd en moeten ook zij aan bepaalde eisen voldoen.

Elke melkveehouder wordt in het kader van dit systeem tot nu toe 1 keer per jaar bezocht en beoordeeld volgens door de zuivelfabriek vastgestelde criteria. Als aan de criteria is voldaan volgt certificering en mag de veehouder blijven lederen. Wordt niet aan de voorwaarden, dan volgt meestal een aanpassingsperiode. Als de criteria na deze periode nog niet worden gehaald, moet de melk apart opgehaald en verwerkt worden. In de komende jaren zal de uitbetaling van het melkgeld en de kwaliteitsborging meer geïntegreerd worden.

Een borgingsysteem wordt opgezet om de werkwijze beter te kunnen waarborgen. Zo wordt transparant hoe de veehouders en de zuivelindustrie werken en welke maatregelen zij nemen om bijvoorbeeld besmetting te voorkomen. Eisen waar het om kan gaan zijn:

  • Een sluitende diergeneesmiddelenadministratie: de wettelijke bewaartermijn is 5 jaar. Correcte bewaring van geneesmiddelen in een koelkast of een afsluitbare stalen kast.

  • 4x/jaar controle van de diergezondheid door een dierenarts. Het vee is voldoende schoon en er zijn voldoende schone en droge ligplaatsen in de stal.

  • Levering van veevoer door een GMP+erkende veevoerleverancier. Diervoeders moeten traceerbaar zijn.

  • Ieder jaar een onderhoudsbeurt van de melkinstallatie en van de koeltank, uitgevoerd door KOM-gecertificeerde monteurs. (zie ook hfst 3)

  • Melkstal en tanklokaal zijn schoon, opgeruimd en fris. (geen doorgangsruimte)

  • Gebruik van water van drinkwaterkwaliteit. (bronwater moet regelmatig gecontroleerd worden)

  • Preventieve maatregelen gericht op mastitis.

  • Het melkprotocol.

Zoals al eerder gezegd zijn de eisen per zuivelfabriek verschillend. Sommige fabrieken werken met een eenvoudige basis, anderen hebben deze basis uitgebouwd tot een uitgebreid pakket om hun zuivelproducten duurder te verkopen oftewel meer toegevoegde waarde te realiseren. Bij de eerste groep horen o.a. Bel Leerdammer, Vreugdenhill en DOC, bij de tweede groep horen o.a. Cono en Friesland Campina. 

Cono heeft als extra het Caring Dairy concept en Koekompas met een quickscan,  zowel  de Toelichting als de scan zijn hier te bekijken.  FC hanteert het Foqussysteem. Linken naar CONO en Friesland Campina staan in de linkenbalk.
Als voorbeeld is het kwaliteitborgingssysteem van DOC bijgevoegd.Handboek DOC.

Toekomstige ontwikkelingen De wens van veel producenten, fabrikanten en retailers is om de talrijke systemen en voorschriften die moeten worden nageleefd, in aantal terug te brengen. Wat dat betreft zijn de ISO-normen een vooruitgang. Verder is het ook op boerderijniveau van belang dat er verschillende systemen gecombineerd en meer geïntegreerd gaan worden, zodat er minder afzonderlijke inspecties op de bedrijven hoeven plaats te vinden.

Omhoog